V.O.E.T.: vakoverschrijdende eindtermen

V.O.E.T.

VakOverschrijdende EindTermen

zijn belangrijke vaardigheden die jongeren nodig hebben bij de uitbouw van hun persoonlijk leven en om hun plaats in de samenleving in te nemen. Dit komt slechts gedeeltelijk aan bod in de leervakken daarom moeten we dit ook aanleren over de vakken heen.

 


Context 1 - Lichamelijke gezondheid en veiligheid

  1. verzorgen en gedragen zich hygiënisch;
  2. leren het eigen lichaam kennen en reageren ade­quaat op lichaamssignalen;
  3. vinden evenwicht tussen werk, ontspanning, rust en beweging;
  4. nemen een ergonomische en gevarieerde sta-, zit-, werk- en tilhouding aan;
  5. maken gezonde keuzes in hun dagelijkse voeding;
  6. hanteren richtlijnen voor het hygiënisch omgaan met voeding;
  7. nemen dagelijks tijd voor lichaamsbeweging;
  8. schatten de risico’s en gevolgen in bij het gebruik van genotsmiddelen en medicijnen en reageren as­sertief in aanbodsituaties;
  9. nemen voorzorgsmaatregelen tegen risicovol licha­melijk con­tact;
  10. participeren aan gezondheids- en veiligheidsbeleid op school;
  11. passen veiligheidsvoorschriften toe en nemen voor­zorgen voor een veilige leef- en werkomgeving;
  12. roepen hulp in en dienen eerste hulp en cpr toe;
  13. passen het verkeersreglement toe;
  14. gebruiken eigen en openbaar vervoer op een veilige manier;
  15. beseffen dat maatschappelijke fenomenen een im­pact hebben op veiligheid en gezondheid.
 

context 2 - mentale gezondheid

  1. gaan adequaat om met taakbelasting en met stress­volle situaties;
  2. gaan gepast om met vreugde, verdriet, angst, boos­heid, verlies en rouw;
  3. erkennen probleemsituaties en vragen, accepteren en bieden hulp;
  4. aanvaarden en verwerken hun seksuele ontwikke­ling en veranderingen in de puberteit;
  5. kunnen zich uiten over en gaan respectvol om met vriendschap, verliefdheid, seksuele identiteit en geaardheid, seksuele gevoelens en gedrag;
  6. stellen zich weerbaar op;
  7. gebruiken beeld, muziek, beweging, drama of me­dia om zichzelf uit te drukken;
  8. herkennen de impact van cultuur- en kunstbeleving op het eigen gevoelsleven en gedrag en dat van anderen.
 

context 3 - Sociorelationele ontwikkeling

  1. kunnen een relatie opbouwen, onderhouden en beëindigen;
  2. erkennen het bestaan van gezagsverhoudingen en het belang van gelijkwaardigheid, afspraken en re­gels in relaties;
  3. accepteren verschillen en hechten belang aan res­pect en zorgzaamheid binnen een relatie;
  4. kunnen ongelijk toegeven en zich verontschuldi­gen;
  5. handelen discreet in situaties die dat vereisen;
  6. doorprikken vooroordelen, stereotypering, onge­paste beïnvloeding en machtsmisbruik;
  7. bespreken opvattingen over medische, psychische en sociale aspecten van samenlevingsvormen, vei­lig vrijen, gezinsplanning, zwangerschap en zwan­gerschapsafbreking;
  8. uiten onbevangen en constructief hun wensen en gevoelens binnen relaties en stellen en aanvaarden hierin grenzen;
  9. zoeken naar constructieve oplossingen voor conflic­ten;
  10. beargumenteren, in dialoog met anderen, de dyna­miek in hun voorkeur voor bepaalde cultuur- en kunstuitingen;
  11. gebruiken cultuur- en kunstuitingen om begrip op te brengen voor de leefwereld van anderen.
 

context 4 - omgeving en duurzame ontwikkeling

  1. participeren aan milieubeleid en -zorg op school;
  2. herkennen in duurzaamheidsvraagstukken de verwe­venheid tussen economische, sociale en ecologische aspecten en herkennen de invloed van techniek en beleid;
  3. zoeken naar mogelijkheden om zelf duurzaam ge­bruik te maken van ruimte, grondstoffen, goederen, energie en vervoermiddelen;
  4. zoeken naar duurzame oplossingen om de lokale en globale leefomgeving te beïnvloeden en te verbete­ren;
  5. tonen interesse en uiten hun appreciatie voor de na­tuur, het landschap en het cultureel erfgoed;
  6. voelen de waarde aan van natuurbeleving en het ge­nieten van de natuur.

context 5 - politiek-juridische samenleving

  1. geven aan hoe zij kunnen deelne­men aan besluitvor­ming in en opbouw van de sa­menleving;
  2. passen inspraak, participatie en besluitvorming toe in reële schoolse situaties;
  3. tonen het belang en dynamisch karakter aan van mensen- en kinderrechten;
  4. zetten zich actief en opbouwend in voor de eigen rechten en die van anderen;
  5. tonen aan dat het samenleven in een democrati­sche rechtsstaat gebaseerd is op rechten en plich­ten die gelden voor burgers, organisaties en over­heid;
  6. erkennen de rol van controle en evenwicht tussen de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht in ons democratisch bestel;
  7. illustreren de rol van de media en organisaties in het functioneren van ons democratisch bestel;
  8. onderscheiden de hoofdzaken van de federale Belgi­sche staatsstructuur;
  9. toetsen het samenleven in ons democra­tisch bestel aan het samenleven onder andere regerings­vor­men;
  10. illustreren hoe een democratisch beleid het alge­meen belang nastreeft en rekening houdt met ideeën, standpunten en belangen van verschillende betrokkenen;
  11. kunnen van Europese samenwerking, van het be­leid en de instellingen van de Europese Unie de betekenis voor de eigen leefwereld toelichten;
  12. tonen het belang aan van internationale organisa­ties en instellingen;
  13. geven voorbeelden die duidelijk maken hoe  de mon­dialisering voordelen, problemen en conflicten in­houdt.

CONTEXT 6 - SOCIO-economische samenleving

  1. leggen met voorbeelden uit hoe welvaart wordt gecreëerd en hoe een overheid inkom­sten verwerft en aanwendt;
  2. toetsen de eigen opvatting aan de verschillende opvat­tingen over welzijn en verdeling van wel­vaart;
  3. zetten zich in voor de verbetering van het welzijn en de welvaart in de wereld;
  4. hebben bij het kopen van goederen en het gebruiken van diensten zowel oog voor prijs-kwaliteit en duur­zame ontwikkeling als voor de rechten van de con­sument;
  5. geven voorbeelden van het veranderlijke karakter van arbeid en economische activiteiten;
  6. geven voorbeelden van factoren die de waardering van goederen en diensten beïnvloeden;
  7. kunnen het eigen budget en de persoonlijke admini­stratie beheren;
  8. geven kenmerken, mogelijke oorzaken en gevolgen van armoede aan;
  9. lichten de rol toe van ondernemingen, werkgevers- en werknemersorganisaties in een nationale en inter­nationale context.

context 7 - socioculturele samenleving

  1. beschrijven de dynamiek in leef- en omgangsge­woonten, opinies, waarden en normen in eigen en andere sociale en culturele groepen;
  2. gaan constructief om met verschillen tussen men­sen en levensopvattingen;
  3. illustreren het belang van sociale samenhang en soli­dariteit;
  4. trekken lessen uit historische en actuele voorbeel­den van onverdraagzaamheid, racisme en xenofo­bie;
  5. geven voorbeelden van de potentieel constructieve en destructieve rol van conflicten;
  6. gaan actief om met de cultuur en kunst die hen om­ringen;
  7. illustreren de wederzijdse beïnvloeding van kunst, cultuur en techniek, politiek, economie, weten­schappen en levensbeschouwing.

 

Laatste TISP-nieuws